Waar moet je op letten bij het plannen van een blowerdoortest?

Het directe meetresultaat van een blowerdoortest is de hoeveelheid lucht die bij een bepaald luchtdrukverschil uit het gemeten gebouw verdwijnt.
Omdat een relatief groot gebouw meer lucht zal verliezen dan een klein gebouw, is afgesproken dat de luchtdichtheid altijd wordt omgerekend naar een verhoudingsgetal.
Voor woningen en utiliteitsgebouwen is dat de qv10-waarde. Dat is de gemeten hoeveelheid luchtverlies gedeeld door de gebruiksoppervlakte (=vloeroppervlakte) van het gebouw.
Hieronder is een meetgrafiek weergegeven van een blowerdoortest in een woning. De rode stippen zijn de door ons gemaakte meetpunten en de zwarte lijn vormt het geëxtrapoleerde resultaat van de meetpunten. Als de meting correct is uitgevoerd, voorspelt de zwarte lijn precies hoeveel lucht er bij een bepaald drukverschil uit de woning verloren zal gaan.
Om de qv10-waarde te herleiden uit de meetgrafiek, nemen we bij het snijpunt bij 10 Pa (10 Pascal = 1 kg/m² drukverschil) het bijbehorende aantal liters per seconde en delen die door de gebruiksoppervlakte van de woning. De verkregen qv10-waarde kunnen we daarna gebruiken om te toetsen of een nieuwbouwwoning voldoet aan de qv10-eis uit de BENG berekening.
Wanneer de oppervlakte aan gevels in verhouding toeneemt t.o.v. de gebruiksoppervlakte, dan functioneert de qv10-waarde minder goed. Een voorbeeld hiervan is een hoge sportzaal of een kantoorgebouw met een grote vide, waarbij soms tot de helft aan gebruiksoppervlakte mist en het dus twee keer moeilijker wordt om een vereiste qv10-waarde te behalen. Er is geen formele oplossing voor dit probleem. De beste optie is dan om in het meetrapport de ontbrekende vierkante meters vloer in een alternatieve berekening op te nemen en te laten zien hoe de qv10-waarde er dan uitgezien zou hebben.
Er zijn naast de qv10-waarde in de praktijk nog twee verhoudingsgetallen in gebruik. Wanneer je die moet gebruiken, is historisch bepaald in diverse branches en beoordelingsmethoden.
In projecten die vallen onder de BREEAM-certificering worden industriegebouwen, zoals bedrijfshallen en distributiecentra, beoordeeld op basis van een q50-waarde. Hierbij wordt niet gedeeld door de vloeroppervlakte, maar door de schiloppervlakte. Dat is de gesloten omhulling van een gebouw, dus alle buitengevels, de vloer en het dak bij elkaar opgeteld. Het uitgangspunt hierbij is nog steeds dezelfde meetgrafiek, maar dan met kubieke meters per uur in plaats van liters per seconde.
Hierboven staat een meetgrafiek van een groot distributiecentrum waar we bij het snijpunt met 50 Pascal de gemeten luchtlekkage bepalen.
Tot slot is er ook de n50-waarde, die wordt berekend op basis van de kubieke meters inhoud van een gebouw. Deze waarde wordt vaak toegepast in specifieke gebouwen, zoals vrieshuizen en gebouwen met brandblussystemen die blusgas gebruiken.
Nee, dat kan niet. Er is geen eenvoudig rekenkundig verband tussen deze twee grootheden. Maar als je de beschikking hebt over de meetgrafiek, kun je altijd de qv10-, q50- en n50-waarde berekenen. Daar is dus maar één meting voor nodig.
Let er wel op dat je de gemeten luchtdichtheid voor de qv10-waarde uitdrukt in liters per seconde (dm³/s) en voor de q50- en n50-waarde in kubieke meter per uur (m³/h).
Heb je nu toch nog een vraag over deze materie? Schroom dan niet om contact met ons op te nemen.


