Waar moet je op letten bij het plannen van een blowerdoortest?

In nieuwbouwprojecten speelt het meten van luchtdichtheid in woningen en utiliteitsgebouwen een veel grotere rol dan voorheen. Is luchtdichtheid meten met een blowerdoortest dan verplicht?
Nee, niet verplicht, maar wel noodzakelijk. De rekenmethodiek voor BENG geeft aan dat het gebruik van forfaitaire qv10 waarden is toegestaan. Je hoeft dan dus niet te meten. Dat lijkt een mooi alternatief maar deze forfaitaire waarden zijn in de praktijk helaas slecht bruikbaar. Hoe zit het nu precies met het aantonen van de luchtdichtheid in het kader van de BENG? En wat zijn de gevolgen voor bouwers? Op basis van onze ruime ervaring met het uitvoeren van blowerdoortests probeer ik daar antwoord op te geven.
De oude energieprestatiecoëfficiënt (EPC) is enkele jaren geleden vervangen door een drie-stappen-strategie met zogenaamde BENG indicatoren. BENG is de afkorting van Bijna Energie Neutrale Gebouwen.
Binnen BENG worden drie afzonderlijke indicatoren gehanteerd. De meest elementaire indicator is BENG-1. Deze beschrijft de energiebehoefte van een gebouw net zoals de eerste stap in de Trias Energetica. Onder het motto ‘wat je niet verliest hoef je ook niet op te wekken’ is in BENG-1 een wettelijk maximum gesteld aan de hoeveelheid energie die door de omhulling van een gebouw verloren mag gaan. Binnen BENG-1 bepaalt o.a. de isolatiekwaliteit samen met de luchtdoorlatendheid (in spreektaal: luchtdichtheid of qv10 waarde) of een woning voldoet aan de wettelijk gestelde grenswaarde.
“In appartementengebouwen bijvoorbeeld, kun je deze ambitie fluitend behalen.”
Bij de oplevering van nieuwbouwwoningen dient te worden aangetoond dat de luchtdichtheid voldoet aan de vooraf bepaalde ambitie. Daarvoor zijn er twee mogelijkheden. De eerste is door forfaitaire waarden te gebruiken zonder te meten. En de tweede mogelijkheid is het uitvoeren van een blowerdoortest.
Het nadeel van een forfaitaire qv10 waarde is dat deze vrij hoog zijn en daarmee slecht bruikbaar om te kunnen voldoen aan BENG-1. De forfaitaire qv10 waarde van bijvoorbeeld een hoekgelegen rijwoning met hellende kap komt bijvoorbeeld uit op 0,84. Om met zo’n slechte qv10 waarde (lees: slechte luchtdichtheid) aan BENG-1 te kunnen voldoen moet er ter compensatie dus dikkere en/of duurdere isolatie worden toegepast. In de praktijk is zoiets meestal moeilijk realiseerbaar. Vandaar dat een luchtdichtheidsmeting in nieuwbouwprojecten in bijna alle gevallen noodzakelijk is.
Een qv10 waarde van 0,40 volstaat in het algemeen voor BENG-1. In appartementengebouwen bijvoorbeeld, kun je deze ambitie fluitend behalen (zolang het niet het penthouse betreft).
Een qv10 waarde van 0,40 is in rijwoningen al enkele jaren min of meer de standaard. Uit de vele duizenden door ISOVAST uitgevoerde metingen kun je concluderen dat ruim de helft van de bouwers geen moeite heeft met deze luchtdichtingsambitie.
Dan zijn er nog de vrijstaande woningen, met name die op enkelvoudige kavels. Daar zie je dat de gemeten luchtdichtheid door uiteenlopende oorzaken negatief kan uitvallen. Dat geldt ook voor penthouses. De oorzaak zijn vaak constructiedelen die door de luchtdichting steken. Het afdichten daarvan kan soms lastig of niet meer mogelijk zijn.
Het helpt als bouwers zich vooraf laten adviseren over de luchtdichtingsrisico’s binnen het gekozen bouwsysteem en de geometrie. En dan niet een advies door verkopers van applicatiemiddelen maar door een onafhankelijke partij. Probeer te ontdekken hoe je succesvol luchtdicht kunt bouwen zonder dure applicatiemiddelen. Wij staan klaar met raad en daad!
Het meten van de luchtdichtheid van woningen met een blowerdoortest kost natuurlijk tijd en geld. Daarom wordt slechts een minimale steekproef vereist waarvan de grootte en samenstelling wordt voorgeschreven in de leidraad voor energielabelaars, ISSO-publicatie 82.1. Er wordt onderscheid gemaakt tussen eengezinswoningen en meergezinswoningen. Ook is de fasering van een bouwproject van invloed op de verdeling van de woningen binnen de steekproef. De beschrijving in de ISSO 82.1 is wat omslachtig, daarom hebben wij de steekproefbepaling verkort uitgewerkt in ons document Steekproefbepaling voor luchtdichtheidsmetingen.
In de omgevingsvergunning van het bouwproject wordt aan de hand van de BENG berekening een ‘voorlopig’ energielabel vastgelegd. Dit label wordt opgesteld door een gecertificeerde EP-adviseur. Bij oplevering zal de EP-adviseur op basis van een veldopname en een dossiercontrole het definitieve energielabel vaststellen. Bij de aan te leveren gegevens horen ook de rapportages van de uitgevoerde luchtdichtheidsmetingen.
Na vaststelling en akkoordbevinding worden de definitieve energielabels geregistreerd bij de overheid (RvO). Woningen kunnen niet worden opgeleverd zonder deze registratie. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) houdt toezicht op dit proces.
Ja dat kan! En in de meeste situaties ook nog eens zonder al te veel moeite. Bedenk dat een goede luchtdichtheid vooral wordt gerealiseerd door bewustzijn op de werkvloer. Ontwerpaspecten zoals luchtdicht-bouwen-details hebben in de praktijk veel minder invloed. Ook het aanschaffen van dure plakkertjes en bandjes is in de meeste gevallen niet nodig. Zorg dus dat alle mensen op de bouwplaats goed zijn geïnformeerd, zij maken namelijk het verschil.
Applicatiewerkzaamheden ter verbetering van de luchtdichting kun je uitbesteden aan gespecialiseerde bedrijven. Net zoals je dat bijvoorbeeld met het afdichten van brandwerende doorvoeringen doet. ISOVAST heeft enkele jaren geleden al een aantal proefprojecten begeleid waar de luchtdichting werd uitbesteed. Keer op keer bleek echter dat er door de veelheid aan versnipperde applicatiemomenten in het (gefaseerde) bouwproces te veel resterende luchtlekken overbleven. En meestal ging het om luchtlekken op plaatsen waar je niet meer bij kon komen. Ons advies is om vooral zelf aan de slag te gaan. Als je eenmaal weet hoe het werkt bespaar je tijd en geld.
Ja, voor ‘BENG-plichtige’ gebruiksfuncties zoals je die ziet in scholen, hotels, kantoren, sportgebouwen enzovoorts gelden dezelfde spelregels als voor woningen. Het verschil met woningbouwprojecten is dat er in utiliteitsgebouwen meestal maar één blowerdoortest wordt uitgevoerd voor het gehele gebouw.


